1985
2010 
Mastino Napoletano.
Classificatie FCI nr.197 .Group 2 Pinscher en Schnauzers-Molossers-Zwitserse Berghonden en andere Rassen.
Section 2.1 Molosser, Mastiff type.
Hoofd :
Het hoofd is brachycefaal (kortschedelig), massief, kort, en tussen de
jukbeenderen is de schedel breed. De totale lengte van het hoofd bedraagt
ongeveer 3/10 van de schouderhoogte. De lengte van de snuit is ongeveer 1/3
van de totale lengte van het hoofd. De schedelbreedte tussen de jukbeenderen
is groter dan de totale lengte van het hoofd. De totale schedelindex
bedraagt 66. De lengteassen van schedel en snuit lopen parallel. De huid
vertoont overvloedige plooien.
Typisch voor de Mastino zijn de in flauwe rondingen verlopende plooien
vanuit de ooghoeken naar de mondhoeken. De neus staat op een lijn met de
neusrug. Van opzij gezien moet de neus niet voor de lippen uitsteken. Van
voren gezien loopt er over de neus een loodrechte groef. De neus moet royaal
zijn, met grote, goed geopende, vochtige en brede neusvleugels. De
pigmentatie varieert met de kleur van de vacht: zwart bij zwart behaarde,
donker bij anderskleurige en bruin bij reebruine exemplaren. De neusrug is
recht. De breedte moet ongeveer 20% van de totale lengte van het hoofd
bedragen, en 50% van de lengte van de neusrug. De lippen zijn dik, vlezig,
afhangend en zwaar. De bovenlippen hebben van voren gezien een omgekeerde
V-vorm. Ze zijn afhangend, waardoor de snuit van voren gezien goed is
ontwikkeld. Bovendien leveren de parallel verlopende lippen een, van opzij
gezien, vierkante snuit op. De onderlijn van de snuit wordt, van voren
gezien, door de lippen bepaald. Het dieptepunt ervan wordt echter niet door
de lippen maar door de mondhoeken bepaald, die door duidelijk zichtbare
slijmhuid worden afgetekend. De slijmhuid moet zichtbaar zijn in de spleet
tussen boven- en onderlippen. Van opzij gezien toont de onderste lijn van de
snuit een gebogen lijn, die vanaf de neus doorloopt tot onder de stop.
De kaken zijn krachtig en goed ontwikkeld, met goed op elkaar passende
tanden. De zijden van de bijzonder krachtige onderkaken neigen vooral aan de
achterzijde tot een kromming. Het voorste deel van de onderkaak moet zeer
goed ontwikkeld zijn en nooit gebogen, waardoor de lippen worden gesteund en
geleid. De stop wordt gevormd door het punt waar voorhoofdsbeen en neusrug
samenvallen. De stop moet, vanaf de neusrug gemeten, een hoek van 90°
vormen. Tussen voorhoofd en neuspunt moet de hoek 120- 130° bedragen. De
lengte van de schedel moet ongeveer 2/3 van de totale hoofdlengte zijn. De
breedte (dat is de afstand tussen de juk- beenderen) moet ongeveer gelijk
zijn aan de lengte. De jukbeenderen zijn zeer goed zichtbaar en lopen ver
naar buiten door, waardoor goede aanhechtingspunten ontstaan voor kaken en
kauwspieren. Van de voorkant gezien lijkt de schedel rond. Van opzij wordt
deze vorm ook benaderd, behalve op het gedeelte tussen de oren, waar de
schedel vlak is. De schedelgroef en achterhoofdsknobbel zijn duidelijk
waarneembaar .
Gebit:
De tanden passen goed op elkaar. Een schaar- of tanggebit. De snijtanden van
de bovenkaak moeten met hun achterzijde de voorzijde van de snijtanden in de
onderkaak raken, of beide komen direct met de kauwvlakken op elkaar. De
tanden zijn wit, regelmatig en wat hun ontwikkeling betreft volledig en
voltallig.
Oren :
Zijn in verhouding tot de schedel klein, driehoekig en ver boven de
jukbeenderen geplaatst. Liggen plat tegen de wangen. Ze mogen niet verder
reiken dan tot het midden van de kaak. Het oor staat bij de aanzet rechtop
en hangt dan plotseling naar voren.
Ogen:
Het ooglid moet goed tegen het oog liggen, dus geen ectropion of entropion.
Het geopende oog is min of meer rond van vorm maar de slappe en in overvloed
aanwezige hoofdhuid erboven maken de ogen kleiner waardoor ze ovaal van vorm
lijken. De ogen liggen diep. De kleur is afhankelijk van de beharing zwart,
grijs of bruin, maar meestal donkerder.
Lichaam :
De hals is kort, gedrongen en buitengewoon gespierd. De lengte van de hals
(gemeten in de nek vanaf de achterhoofdslijn tot aan de schoft) is ongeveer
3/10 van de schouderhoogte. De omvang van de hals in het midden gemeten,
bedraagt ongeveer 8/10 van de schouderhoogte. Ongeveer 1/3 deel vanaf.het
hoofd is de hals lichtelijk gekromd. Het onderste gedeelte heeft veel losse
huid, waardoor een keelhuid wordt gevormd die niet overvloedig mag zijn en
duidelijk verdeeld is over links en rechts.
De keelhuid begint aan de onderkaak, en reikt tot ongeveer hét midden van de
hals. De schouders moeten lang, enigszins schuin en goed van elkaar
gescheiden zijn. Ze hebben lange, sterk ontwikkelde spieren, teneinde een
goede beweging te waarborgen. De lengte is ongeveer 3/10 van de
schouderhoogte. De kromming naar horizontaal is 50-60°. Als men de romp van
boven beziet staan de uiteinden van de schouderbladen iets naar elkaar toe.
Als men het rugoppervlak in aanmerking neemt, lijken ze echter verticaal te
staan. De lengte van het lichaam (gemeten van de top van het
schoudergewricht of de punt van het borstbeen tot aan het zitbeen) moet
ongeveer 10% langer zijn dan de schouderhoogte.
De borst moet breed zijn, en uitzonderlijk goed ontwikkelde borstspieren
hebben. De breedte van de borst, die door de borstkas wordt gevormd, dient
aan het onderste begrenzingpunt (tussen de ellebogen) ongeveer 40-45% van de
schouderhoogte te zijn. De punt van het borstbeen moet zich op dezelfde
hoogte bevinden als het schoudergewricht. De borstkas is breed en reikt tot
de ellebogen of iets daaronder, met een goede ronding op de halve hoogte. De
doorsnede verkleint zich enigszins om het borstbeen, zonder echter een soort
kielvorm te krijgen. De ribben zijn lang, goed gebogen, schuin en ver
doorlopend met brede tussenruimten. De laatste zwevende ribben zijn lang,
schuin en goed geopend. De omvang van de borstkas moet ongeveer 1/4 meer
bedragen dan de schouderhoogte. Voor de ronding gemeten is de omvang circa
10 cm kleiner. De doorsnede blijft echter altijd nog 32%. De borstdiepte
bedraagt ongeveer 50-55% van de schouderhoogte.
De thoraxindex mag niet groter zijn dan 8, eerder iets minder. De onderzijde
van de borstkas toont van opzij gezien een uitgerekte halve cirkel, die bij
de buik licht oploopt en dan verder rechtlijnig verloopt. De rug toont van
opzij gezien een rechte lijn, die slechts door de schoft wordt onderbroken.
De rug is breed. De lengte is 32% van de schouderhoogte. Tussen de lendenen
en de rug dient er een overgang te zijn die van opzij gezien met een lichte
ronding moet verlopen.
Goed ontwikkelde spieren over de gehele breedte. De lengte moet ongeveer 1/5
zijn van de schouderhoogte. De breedte moet ongeveer gelijk zijn aan de
lengte, en tussen 14,5-16 cm liggen. De buik verloopt als een voortzetting
van de borstkas aan de onderzijde bijna horizontaal. De flanken moeten in de
langs richting overeenkomen met de lendenen. De buik is groot. De flanken
zijn iets opgetrokken. Het kruis, dat de enigszins rond overlopende lijn van
de lendenen voortzet, moet breed, sterk en gespierd zijn. Het dwars verloop
tussen de beide zijden der lendenen moet ongeveer 1,5/10 van de
schouderhoogte zijn. Het kruis dient duidelijk gevormd te zijn om aan de
onderzijde van de lendenen aan te sluiten. De lengte van het kruis moet
ongeveer 3/10 van de schouderhoogte bedragen. De kromming moet met ongeveer
30% afnemen als men de horizontale lijn in aanmerking neemt die de voorkant
van het bakken met het zitbeen verbindt.
Schouderhoogte: reuen 65-75 cm, teven 60-68 cm. Gewicht: reuen 50-70 kg,
teven ongeveer 15% minder.
Benen:
Voorhand: de bovenarm is met ongeveer 2/3 van het bovengedeelte van de romp
verbonden. Hij moet, evenals de schouders, voorzien zijn van sterke, droge
en goed ontwikkelde spieren. De hoek die wordt gevormd door het bovenarmbeen
met het horizontale vlak, bedraagt ongeveer 55-60°. De lengte van de
bovenarm is ongeveer 30% van de schouderhoogte en loopt vrijwel parallel aan
de middellijn van de romp. De onderarmen staan verticaal. Ze hebben
uitzonderlijk sterk bot. De lengte is bijna gelijk aan die van de
bovenarmen. De onderlangse plooi die wordt gevormd door de ellepijp en het
spaakbeen, dient duidelijk zichtbaar te zijn. De lengte van de onderarm tot
aan de elleboog bedraagt ongeveer 5,2/10 van de schouderhoogte. De met veel
losse huid bedekte ellebogen lopen parallel aan de middellijn van het
lichaam en moeten niet te dicht tegen de borstkas aanliggen omdat dit de
aftekening van de okselholte verhindert. Ze mogen echter ook niet naar
buiten uitgedraaid zijn. De punt van de elleboog moet zich op de loodlijn
bevinden die vanaf de achterste punt van het schouderblad kan worden
getrokken. De pols moet in het verlengde van de onderarm liggen. Hij moet
breed, droog en glad zijn, zonder zichtbaar bot, behalve aan de achterzijde
waar het sesambeen uitsteekt. De middenvoeten moeten enigszins naar achteren
hellen, maar van voren gezien dienen zij de verticale lijn van de onderarm
te volgen.
Van opzij gezien bedraagt de hoek van de naar achter hellende middenvoet
ongeveer 70-75°. De lengte mag niet meer bedragen dan 1/6 van de totale
lengte van de onderarm tot aan de elleboog. Achterhand: de dij is lang en
breed, met zware, duidelijk zichtbare spieren. De achterkant neigt er toe
recht te zijn. De lengte mag niet minder dan 1/3 van de schouderhoogte
bedragen. De buiging is ongeveer 60°, en vormt met de heup van achteren naar
voren bijna een rechte hoek. De verticale lijnen in aanmerking genomen dient
de achterhand parallel aan het lichaam te verlopen. Het onderbeen bestaat
uit zwaar bot en sterke spieren. De lengte ervan is iets korter dan die van
het bovenbeen. De hoek bedraagt van voor naar achter ongeveer 50-55°. De
hoek die wordt gevormd door het kniegewricht, bedraagt ongeveer 110-115°. De
plooi die wordt gevormd tussen scheenbeen en kuitbeen, moet duidelijk
zichtbaar zijn. De zijden van de sprong kunnen nauwelijks te breed zijn.
Door de stand van het onderbeen wordt van voren een stompe hoek gevormd.
De afstand van de voetkussens tot aan de sprong bedraagt ongeveer 2,6/10 van
de schouderhoogte. Van achteren bezien moeten de achterwaartse lijnen van
het spronggewricht en de achterkant van de dij in één vlak liggen. De
voorste hoek (dat wil zeggen de hoek die wordt gevormd door het onderbeen en
de middenvoet) bedraagt 140-145°. De middenvoet moet krachtig en bijna rond
van vorm zijn. De lengte moet ongeveer 1/4 van de schouderhoogte bedragen.
Zowel van achteren als van opzij gezien moet de middenvoet loodrecht zijn.
Eventueel aanwezige hubertus klauwen (enkele als dubbele) moeten worden
verwijderd.
Voeten:
De voorvoeten zijn ovaal, zeer groot, goed gesloten en gewelfd. De kussens
zijn droog, hard en goed gepigmenteerd. Sterk gebogen nagels. De
achtervoeten zijn gelijk aan de voorvoeten, maar niet zo groot.
Staart:
Aan de wortel krachtig, en naar de punt iets toelopend. Als de hond in rust
is, wordt de staart voor 2/3 hangend en voor het 1/3 iets naar boven gebogen
gedragen. De staart wordt nooit rechtop of over de rug gekruld gedragen. Als
de hond in actie is, wordt de staart horizontaal of iets boven de ruglijn
gedragen. De lengte van de staart is gelijk aan of iets langer dan het
spronggewricht. De staart is op ongeveer 1/3 van de lengte gecoupeerd.
Vacht:
Over het gehele lichaam veel losse huid, vooral op het hoofd, waar veel
losse plooien worden gevormd, en aan de keel, waar zich een wam vormt. Het
haar moet dicht, van gelijke lengte, glad, fijn, kort en niet langer dan 1,5
cm zijn. Er mag op geen enkel deel van het lichaam, ook niet op de benen of
op de staart, een spoor van lang haar zijn, hoe klein ook. De vacht moet
glanzen.
Kleur:
De toegestane vachtkleuren zijn zwart, grijs, blauwgrijs, bruin, reebruin en
vosrood. Alle kleuren mogen gestroomd zijn. Kleine witte aftekeningen op de
borst en op de punten van de tenen zijn toegestaan. De pigmentatie van de
opperhuid moet donker zijn, afhankelijk van de donkerste kleur van de vacht.
De kleur van de nagels en die van de voetzolen moeten altijd donker zijn.
N.B.: de geslachtsorganen dienen volmaakt en voltallig aanwezig te zijn, en
een gelijke ontwikkeling van de testikels te hebben.
Bijzonderheden
Gangen: een typisch kenmerk van dit ras is het gangwerk; het is
slungelachtig en langzaam, als bij een beer; de draf is langzaam en met
grote, veel bodem bedekkende stappen; de galop komt zelden voor.
Algemene fouten: gebrek aan type en afwijkende formaten, namelijk hoger dan
de maximumhoogte en meer dan 3 cm onder de minimumhoogte; scheelzien;
monorchisme of kryptorchisme.
Fouten van het hoofd: ernstig naar voren of naar achteren aflopende schedel;
duidelijk bol of hol voorhoofd, of een voorhoofd dat duidelijk te lang is en
uit balans met de rest van het hoofd.
Fouten van de staart: afwezigheid van de gehele staart; staartloos geboren;
met te korte staart geboren; een knik.
Fouten van de vacht: witte vacht of een vacht met uitgebreide witte vlekken
op de ledematen (hoger dan de sprong, bij het achterbeen) of het hoofd;
kleine witte vlekjes op borst en buik zijn toegestaan; een totaal
ongepigmenteerde neus; totaal ongepigmenteerde oogleden; een glasoog.
Gebit: bovenvoorbijten of ondervoorbijten met een onderbeet van meer dan 8
mm; afwezigheid van meer dan zes gebitselementen, het ontbreken van meer dan
twee snijtanden, één hoektand of twee kiezen.
Karakter:
Fouten van het karakter: zeer agressieve individuen of zeer angstige
individuen.

Algemeen:
De Mastino Napolitano is een waak- en beschermhond bij uitstek. Hij is
groot van stuk, sterk gebouwd en stoer. Hij heeft een rustiek, maar
tegelijkertijd majestueus voorkomen. Hij is fors en moedig, intelligent van
uitdrukking, evenwichtig van aard, gewillig, en niet agressief. Hij is
ongeëvenaard in het verdedigen van zijn baas en diens eigendommen.
Het lichaam geeft een totaalbeeld van een zware, zeer brede, uiterst
robuuste hond, waarvan het lichaam langer is dan de schouderhoogte. Hij is
harmonieus in verhouding tot zijn afmetingen en betrekkelijk evenwichtig ten
aanzien van zijn profiel. De huid is niet vastgehecht aan het onderliggende
bindweefsel, maar los, in het bijzonder aan het hoofd. Daar vertoont de huid
rimpels en plooien. Aan de hals vormt ze een keelhuid.